De erfenis

 

Mensen hebben het eeuwige leven niet. Dat gold ook voor een tante van mij. Ze liet me een kunstwerk na. Het stond bij mijn moeder op haar buffetkast op mij te wachten.

Op het eerste gezicht is het gewoon een marmeren kubus, tien bij tien bij tien, zoiets. Wittig. De bijgaande documentatie onthult dat de kunstenaar voldoet aan het stereotiep: warrig haar kroont een bebaarde en gegroefde kop en een rond brilletje completeert de hippielook. De korrelige brochurefoto laat een man zien die gebogen zit over zijn werk. Hij lijkt in gedachten verzonken. In zijn rechterhand houdt hij een fors formaat slijptol vast die ik nogal fallisch vind. Ik weet onmiddellijk waar ik die associatie vandaan haal. Ik beeld me in dat mijn tante de foto vaak in aanbidding bekeken heeft. Ze had iets met kunstenaars van allerlei allooi en deelde te pas maar over het algemeen te onpas haar infatuaties. Aan deze eenzijdige romance heeft ‘ma tante’ dus een kunstwerk over gehouden. En haar onderwerp van verering omzet, concludeer ik wat cynisch.

 

‘Nou, die oversized presse-papier hoef ik niet’, zeg ik wat narrig, de cultuurbarbaar in mij de vrije loop latend. En vooral eigenlijk: een stille getuige afwijzend van de vrouw die me met haar ontboezemingen zo vaak ongemakkelijk gemaakt heeft als kind. En die in al haar geëxalteerd geëtaleerd verlangen, onvervuld en bodemloos, zo’n makkelijk slachtoffer was, ben ik later gaan begrijpen. Aan dit vak valt ook buiten de spreekkamer niet te ontsnappen (al mag je dan weer geen diagnose van stal halen om het wat te verteren of zo, want dat is laakbaar buiten de behandelcontext). Ik wil aan geen van die pijnlijkheden herinnerd worden. Ook niet door een blok marmer dat kunst heet te zijn. ‘Ok’, reageert mijn moeder. Ze kijkt er mild bij. Ze zal het niet zo noemen maar ze heeft door dat de min kant van mijn ambivalentie even de voorrang krijgt, en dat de plus er wel degelijk is, ergens, nu even ver weg. Dat weet ze. Zij was het die mijn enthousiaste verhalen over uitjes met deze tante beluisterde. Gewone kinderuitjes, naar de dierentuin of zo. In mijn kinderogen altijd spannend, altijd ongewoon, altijd uniek met een excentrieke, grappige tante die de dieren hallo zei en beweerde dat ze antwoord kreeg. Zij alleen kon het horen, en ze fluisterde wat ze te vertellen hadden in mijn oor. Mijn moeder wacht. Dat is altijd al haar strategie geweest. Als geen ander kan ze dingen de tijd geven. Ze raadt dat ik toch voor het kunstwerk ga vallen.

 

Een paar uur later bekijk ik het ding nog een keer goed. Het dringt tot me door dat het ontzettend ingenieus is. Dwars doorheen de kubus heeft de beeldhouwer twee cilindrische gaten aangebracht, vijf centimeter doorsnee elk. Ze vormen samen een soort kruis en daardoor is er in het midden een holte. In de twee overgebleven vlakken heeft hij een inkeping gemaakt, vijf millimeter breed. Ze staan ten opzicht van elkaar haaks. Ook een soort kruis eigenlijk. Een hoop materiaal is weggehaald. Toch blijft het een geheel. Je kan het object draaien en dan wisselen de insneden van positie.

 

En dan voel ik het gebeuren. Ik raak gefascineerd door wat het werk bij me oproept. De holtes en snedes krijgen betekenis. Ik associeer ze met Verhaeghes adagium: ‘de mens is verdeeld’ (bv. Verhaeghe, 2023). Hij doelt daarmee enerzijds op de innerlijke verscheurdheid die we kunnen ervaren, maar ook op de mogelijkheid tot zelfreflectie, ‘de mens is denkend in gesprek met zichzelf’.

De ingenieus aangebrachte inkepingen doen denken aan splitsing in allerlei variaties. Je weet wel, dat afweermechanisme zo broodnodig als de verschillende strijdige facetten van de realiteit niet zo goed tegelijk te verdragen zijn en ze bij elkaar brengen dus wat lastig (Caligor e.a., 2018, Nicolai, 1997). Het meest interessante vind ik dat er geen ‘juiste’ manier is om het ding neer te zetten. Hoe je het ook kantelt, er is geen ‘juiste positie’, alleen wisselend perspectief. De waarheid bestaat niet, het hangt maar net af van welke kant je het bekijkt. Ineens wordt het werk de verbeelding van de representatiedifferentiatie (bv. Wallin, 2010. Morgan, 2018). Een sine qua non om in het menselijke verkeer wat responsflexibiliteit aan de dag te kunnen leggen. Eenvoudig gezegd: je moet je eerst kunnen voorstellen dat de betekenis die jij verleent aan wat een ander zegt of doet in het contact met jou misschien niet overeenkomt met de bedoeling die die ander had en de betekenis die diegene aan diezelfde actie geeft. Je dat kunnen voorstellen, biedt je dan weer de mogelijkheid om te ‘kiezen’ tussen een aantal mogelijke manieren van reageren op de ander. Géén ruzie maken, je niet geaffronteerd voelen, om maar een voorbeeld te noemen. Ziehier, de samenvatting van veel therapiedoelen voor mijn neus verbeeld in een blok bewerkt marmer.

Of de kunstenaar dat allemaal in zijn hoofd had toen hij dit werk maakte zegt het verhaal niet. Maar als de symboliek, of de mogelijkheid om die te zien, tot me doordringt ga ik het bijna mooi vinden.

Het kunstwerk is ook wat beschadigd. Zo hier en daar zijn de randen niet helemaal gaaf meer. ‘Ach kind’, merkt mijn moeder nuchter op, ‘iedereen heeft wel een rafelrandje.’ Haar manier om te refereren aan het tekort. Dat is er altijd en overal (Verhaeghe, 2015). Er is mee te leven. En we proberen het toch steeds maar weer te vullen. Dat schijnt mens-eigen te zijn. Mijn tante deed een poging met deze klomp steen waar iemand iets uit wist te creëren. Het komt bij me op dat het object niet uit elkaar valt. Met gaten toch een soort geheel. De kubus blijft een kubus, maar geen vol blok. Hij zou prima dienst zou kunnen doen als solide presse-papier. Bij wijze van spreken dan. Het gaat me inmiddels te ver om zo met hem om te gaan.

 

‘Misschien kan je het een tijdje de kans geven’, zegt mijn moeder, zorgvuldig mijn flinke dosis autonomiebehoefte respecterend ‘je mag het meenemen en aankijken’. Sommige perspectiefwissels hebben tijd nodig. Die lijkt ik nodig te hebben. Zij begrijpt het. Het is fijn, zo iemand die je zo goed kent. Ook wel een beetje confronterend. Ook in contact met haar aan ambivalentie geen gebrek, grinnik ik bij mezelf. Wellicht ook een soort erfenis.

 

 

BIRGIT DE CNODDER

 

Leestips

 

Caligor, E.; Kernberg, O.F.; Clarkin, J.F. & Yeomans, F.E. (2018). Classification of Personality Pathology Within de Model of Object Relations Theory. In: Psychodynamic Therapy for personality pathology. Treating self and interpersonal functioning. APA Publishing

 

Morgan, M. (2019). A couple state of mind. Routledge, Taylor&Francis Group

 

Nicolai, N. J. (1997). Over splitsen, splijten en dissociëren. Tijdschrift voor Psychotherapie, 23 [2] p.85-107

 

Verhaeghe, P. (2015). Angst en object vanuit Lacan. Tijdschrift voor Psychoanalyse, (21) (2): 118-128

 

Verhaeghe, P. (2023). Onbehagen, uitgeverij De Bezige Bij

 

Wallin, D. J. (2010). Gehechtheid in psychotherapie. Uitgeverij Nieuwezijds

 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *