Sloopmelk

 

‘Wat kan mij het schelen dat die koe maar 6 wordt’. De vrouw tegenover mij is stellig. ‘Er zijn wel erger dingen om je druk over te maken’, gaat ze verder, ‘ik ga echt niet minder melk drinken’. Haar uitspraak is een reactie op een radio- en televisiecampagne van een dierenwelzijnsorganisatie. Die vroeg aandacht voor het effect van de omstandigheden waaronder veel melkkoeien hun leven moeten slijten. Een aanzienlijk korter leven dan ze zouden kunnen hebben[1]. Hij raakt deze mevrouw van middelbare leeftijd overduidelijk niet op de beoogde manier. Dat roept bij mij een mengeling van weerzin en moedeloosheid op. Ik hou ternauwernood een sneer achter de kiezen. Ik vind het moeilijk om de therapeutische houding te handhaven waarmee ik alles wat ze inbrengt verwelkom. Het handhaven van de technische neutraliteit (bv. Draijer, 2023; Caligor, Kernberg, Clarkin & Yeomans, 2018) is in deze therapie geen sinecure voor mij. Hoewel ik theoretisch heel goed weet dat nare, agressieve kanten helpen verkennen therapeutisch vruchtbaarder is dan ze afkeuren of afwijzen[2], neig ik daar nu toch sterk toe, moet ik bekennen. Ik ben zo iemand die te doen heeft met zo’n koe en dat soort melk niet wil. Ik drink überhaupt geen melk, al riekt dat naar salonactivisme, want ik vind melk niet lekker. Maar al met al heb ik toch wat meer met mensen die zich identificeren met een lijdend dier. Zoals de man die met tranen in de ogen vertelde dat hij altijd een beetje buikpijn kreeg als hij veewagen voorbij zag rijden ‘met de nog ademende koteletjes. Ik voel dan hun pijn en angst. In stilte verontschuldig ik me aan hen allen voor het feit dat de menselijke soort zo cru is’. Het laat zich raden dat ik ook geen vlees eet. Zo’n uitspraak is best invoelbaar voor mij. De uitdaging toen was om niet samen met mijn cliënt het dierenleed te betreuren en zo. Ook bepaald niet ‘technisch neutraal’ trouwens.

De kwestie van de technische neutraliteit stelt me nu voor ander ingewikkeldheden. Ik ken deze vrouw al een tijdje. Ze is geen toonbeeld van nuance, vaak snoeihard over anderen. De therapie verloopt moeizaam. Vind ik. Zijzelf komt graag, ‘jij begrijpt het tenminste’. Keer op keer laat ze me in verwarring achter hoe ik er in slaag haar die indruk te geven. Ik verdenk haar van een forse dosis ontkenning. Je weet wel, die divergerende afweer waarmee iemand ongemakkelijke delen van de realiteit buiten het bewustzijn weet te houden. En tot nu toe zit daar niet zoveel beweging in. Het ervaren begrip levert haar echter bitter weinig op. Ze blijft buiten de therapiekamer veel conflicten hebben. Afgelopen week had ze een discussie op het werk gehad ‘over de bio industrie en dat soort shit’ en was in een felle twist belandt met haar collega’s waarvan een deel aan de havermelk is. ‘Dat je die bocht wil, en dat voor een koe!’ Het is de kilte waarmee ze het zegt die me raakt. Nul empathie voor de koe. En geen enkele interesse in de beweegredenen van anderen om dat wel te voelen. Ze ligt niet goed bij haar collega’s. Dát snap ik dan weer wel. Terwijl ik dat met enig venijn bedenk, schiet de vraag door mijn hoofd of ze zich begrepen voelt omdat ik extra voorzichtig ben juist omdát de inhoud van wat ze vertelt me zo vaak tegen de borst stuit. Zou best kunnen.

 

Ik zwijg een tijdje en probeer mijn aversie wat te managen. Ik weet dat technisch neutraal blijven juist in deze therapie cruciaal is. Hoe kan ik haar anders helpen om zicht te krijgen op de agressieve en onverschillige kant in haarzelf, laat staan die in balans te krijgen met een warme en invoelende kant die ze ook heeft[3]. Want het vreemde is: ze heeft drie honden en daar zorgt ze ontzettend goed voor. Uitgebalanceerd eten, beweging door weer en wind, een mand met een orthopedisch kussen voor de oudste. Ze schuwt spijts haar wat penibele financiële situatie de kosten voor levensverlengende medicijnen voor een van de haar viervoeters niet. Ze heeft zelf oog voor hun verschillende karaktertjes, en dat ze dus allemaal net iets anders nodig hebben op een aantal vlakken. Hoe kan ik haar helpen om de zachtheid die ze voor haar huisdieren voelt bij elkaar te krijgen met de harteloosheid waarmee ze over de koe spreekt?

 

Ik waag een poging. ‘Je begrijpt de interesse van je collega’s in het welzijn van koe niet, hoor ik. Hoe kunnen we begrijpen dat je tegelijk het welzijn van je honden steeds voor ogen hebt en zo goed voor hen zorgt?’ Even is ze stil. Dan kijkt ze me donker en verwijtend aan. ‘Daar zorgt niemand anders voor’. Mijn beurt om even stil te zijn. Voor de koe toch ook niet? Ja, toch wel, een hele stichting. En daar gaat het over voor haar, realiseer ik me. Het gaat niet over de koe maar wel over de inspanning die door anderen voor de koe geleverd wordt om haar tegen nog weer anderen te beschermen. Dat privilegie heeft cliënte nooit gehad. Ze heeft haar jeugd doorgebracht in tehuizen, heeft nimmer het gevoel gehad dat haar welzijn er toe deed, voor wie dan ook. Nijdig[4] op een koe? Yep. Of althans, op het feit dat de koe een hele beweging op gang weet te brengen die oproept tot mededogen. Wat zij niet heeft gehad gunt ze de koe ook niet. Als je tekort gekomen bent, is het lastiger om empathie op te brengen voor andere tekortkomenden. Of je overdrijft het, dat kan ook. Een Nightingale syndroom is ook een manier om je eigen lijden weg te maken. Zij combineert beiden. De koe en haar leeftijd boeit haar weliswaar niet maar haar honden komen niets tekort en opoffering voor hen is haar niet vreemd. Ze vervolgt dan de ingezette tirade fel: ‘Sloopmelk, slopen, waar halen ze het vandaan, ik zal je vertellen wat slopend is’. Ik kijk haar vragend aan. ‘En daarbij nog, 6 is een mooie leeftijd, punt.’ Ik voel een golf van misselijkheid opkomen. Die heeft weinig met de koe te maken. 6 was de leeftijd waarop ze geen kans meer maakte om geadopteerd te worden. Alle hoop op een meer geborgen bestaan foetsie voor het zesjarige meisje. ‘Niet voor jou destijds, hé’, ontglipt me. Ze staart me woedend aan. Ze haat mijn compassie, verlangt er naar. Ik haal diep adem. Zij verzacht. ‘Nee.’ Dat is alles wat ze er over kan zeggen deze sessie. Ik sluit niet uit dat ik de misselijkheid voel die zij niet kan voelen.

 

 

BIRGIT DE CNODDER

 

[1] De campagne waarnaar verwezen wordt is er een van ‘Wakker Dier’ een Nederlandse stichting die opkomt voor dierenwelzijn. In deze campagne vroegen ze aandacht voor het feit dat een melkkoe geen lang leven beschoren is omdat ze letterlijk uitgemolken wordt.

[2] Over technische neutraliteit valt veel te zeggen. Kort samengevat is het die houding waarmee je niet sympathiseert met dingen die de cliënt inbrengt, noch ze afwijst of veroordeelt. Dat heeft als doel dat cliënt op die wijze de kans krijgt om alle kanten van het conflict in zichzelf te leren kennen.

[3] Bij deze cliënt gaat het dus voorlopig nog niet om een beleefd conflict. Ze houdt één kant weg en besteedt die zelfs uit aan haar therapeut als die aversie gaat voelen. Die is in dit geval ook deels van de therapeut zelf vanwege de eigen opvattingen.

[4] Nijd verschilt van jaloezie in die zin dat bij nijd iemand kapot wil maken dat een ander heeft en diegene zelf niet. Bij jaloezie kan iemand verzuchten iets zelf wel te willen hebben zonder dat kapot te willen maken voor diegene die het wel heeft.

 

 

Leestips

 

Daijer, N. (2023). Over begrenzing in Transference Focused Psychotherapie. Lastig voor patiënt en behandelaar. Tijdschrift voor Psychoanalyse en haar toepassingen. (3):135-147

 

Caligor, E.; Kernberg, O.F.; Clarkin, J.F & Yeomans, F.E. (2018). Psychodynamic Therapy for Personality Pathology. Treating Self and Interpersonal Functioning. Section II: Overview; Basic Tasks and Elements of Treatment, ‘Technical Neutrality and Therapist’s Stance’. E-book. American Psychiatric Association Publishing.

 

 

 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *