De parelketting

 

‘God heeft het echt zo bedoeld.’

David, een man van begin vijftig, zegt dit stellig. Ondertussen puzzelt me het contrast tussen deze toon en zijn lichaamstaal: blik schuin naar beneden gericht, schouders licht voorover gebogen. De schaamte hangt als een dikke deken om hem heen.

‘Wat had God hoe bedoeld?’ Ik probeer de vraag zo neutraal mogelijk te stellen en mijn wenkbrauwen stil te houden. Ik voel irritatie, en nog niet zo’n beetje ook. Ja, tuurlijk joh, verschuil je lekker achter de almachtige, schiet door mijn hoofd. De scherpte ervan overval me. Even dimmen, spreek ik mezelf toe, trek misschien liever je nieuwsgierigheid naar waar dit echt over gaat uit de kast.

 

David is een gelovig man. Dat is hij niet altijd geweest. Hij komt uit een atheïstische familie en bekeerde zich tot het geloof van zijn vrouw. ‘Voor haar was dat essentieel. Het was een heel proces voor mij’. Zijn eigen familie had vol onbegrip gereageerd op zijn bekering. ‘En ik begrijp dat wel, het staat zo mijlenver af van hoe mijn familie tegen godsdienstigheid aan kijkt. Ze doen het af als een soort zinsbegoocheling.’ Het ontbreken van enig verdriet of boosheid in dit verband deed vragen rijzen. ‘Soms twijfel ik, nog steeds’, vervolgde hij, ‘vraag ik me af of het niet alleen maar aanpassing was, of ik niet gewoon te bang was om haar te verliezen. Maar ik ervaar de geloofsgemeenschap ook zelf wel als warm en God als een barmhartige vader. Het heeft iets troostrijks dat Hij er is.’ Hij bracht zijn verhaal bedachtzaam en genuanceerd. De twijfel aan zijn eigen motivatie ten aanzien van zijn geloof en vooral de openheid daarover was opvallend tijdens de intake. De absoluutheid van de uitspraak waar hij vandaag mee begint, past niet bij hoe ik hem tot nu toe meegemaakt heb.

 

Freud was fervent atheïst. Voor hem was geloof altijd een vorm van afweer. Auteurs na hem hebben een meer genuanceerde visie op geloof naar voor geschoven (Doornbos, 2025). In therapieverband pleiten zij op zijn minst voor de vraag: wat betekent deze religie voor deze cliënt met dit verhaal op dit moment?

Eventuele godsdienstigheid is voor veel therapeuten wellicht net zo ongemakkelijk om naar te vragen als seks, behalve misschien voor diegenen die zich expliciet profileren als (ook) gelovig. In intake verslagen ontbreekt de informatie over de geloofsovertuiging van de cliënt nogal eens. Toch komt God in allerlei soorten en maten voorbij in therapieën. Hij is als projectievat tamelijk veelzijdig en Hij figureert in de meest uiteenlopende representaties. Hij treedt op als de Zorgzame Grote Ander, de enige op wie iemand altijd kan rekenen voor troost en geruststelling. God is soms de Enige Betrouwbare. Af en toe maakt een pact met God de verbinding met sterfelijke zielen niet eens meer nodig. ‘Ik geloof niet in mensen’, zei een cliënt een keer, ‘ik heb God’. Het deed denken aan het samen sterk gevoel van de muis die tegen de olifant zegt: wat stampen we lekker. God als Almachtige die ook almachtig doet voelen dus, of in ieder geval helpt om verdere afhankelijkheid van een gewoon ander mens af te houden. Sommige mensen voeren God op als de Bewaker Van Het Recht, diegene die er voor gaat zorgen dat het hoe dan ook op termijn goed komt. Zo helpt Hij onrechtvaardigheid en ellende verdragen.

God doemt bij anderen op als de Straffende Instantie voor wie diepe vrees gekoesterd wordt. Een variant daarop is God als de Alziende. Aan Hem en zijn oordeel is geen ontsnappen mogelijk. Soms is God, of in ieder geval hoe Hij beleefd wordt, ambivalent: men had op God gerekend en Hij laat verstek gaan. Dat geeft dan interne strijd omdat Hij het predicaat ‘Goede God’ geniet en nu teleurstelt. De willekeurigheid en onbegrijpelijkheid van Zijn Wil brengen verwarring. Een wat internaliserende beweging ligt dan op de loer in de conclusie van de gelovige dat hij of zij het niet snapt maar dat God een goede reden voor de beproeving heeft en dat de twijfel toch echt het pakkie an is van de volgeling. De oplossing is dan ‘verdragen’.

Ik heb ook verzet tegen het geloof in allerlei varianten zien langskomen, al was dat vaak eerder verzet tegen een kerk of iets dergelijks als instituut dan tegen het geloof zelf.

 

‘Wat had God hoe bedoeld?’, herhaal ik. Ineens voel ik zachtheid. Dat is nogal in tegenstelling met mijn venijn van zojuist. Wat flippert hier zo op en neer?

‘Dat Dana dat juweel kreeg van oma Jantje, je weet wel, mijn stiefmoeder.’

 

Davids eigen moeder is jong overleden. David was een jaar of elf. Zijn vader hertrouwde acht maanden later met Jantje. Dat was moeilijk geweest voor David en zijn vier jaar oudere zus. Jantje was niet zachtzinnig om gesprongen met de rouw van haar stiefkinderen. ‘Ze wilde de belangrijkste zijn en probeerde alle sporen van onze moeder in huis te wissen. Mijn zus is zich blijven verzetten en ging op haar zeventiende de deur. Ik bleef alleen achter. Zo voelde dat. Overgeleverd aan Jantje.’

Jantje ontpopte zich later tot een niet onverdienstelijke oma en met name David had haar daar de ruimte voor gegeven. ‘Mijn kinderen hebben mijn moeder nooit gekend. Dat vind ik echt heel jammer. Ik heb mijn oudste naar haar vernoemd, als een soort getuigenis van dat ze er ooit wel degelijk geweest is. Ik had het moeilijk met de plek die Jantje claimde maar mijn vrouw zei steeds: het is voor onze kinderen leuk om 2 oma’s te hebben, van mijn kant maar ook van de jouwe. Dus als Jantje deze rol wil, laat ons haar die in de naam van de Here gunnen. Ik vond dat soort naastenliefde wel mooi. Mijn kinderen zijn ook wel degelijk oprecht op hun oma Jantje gesteld.’

 

‘Kan je me er wat meer over vertellen? Wat voor juweel is het?’

David schraapt zijn keel een paar keer. ‘Dana kreeg de parelketting van mijn moeder cadeau op haar sweet sixteen verjaardagsfeestje. Ik wist eerst niet wat ik zag. Ik had er geen idee van dat mijn vader dat kettinkje al die jaren bewaard had. Na zijn huwelijk met Jantje verdwenen veel van mijn moeders spullen. Dat was heel pijnlijk destijds. En nu, een jaar na mijn vaders overlijden, bleek dit kettinkje er nog te zijn en kwam Jantje er mee aanzetten als cadeau voor mijn dochter. Mijn moeder kreeg het juweel van mijn vader kort na de geboorte van mijn zus. Hij had de namen van zijn beide dametjes zoals hij hen noemden in het zilveren medaillon laten graveren.’

 

Ik laat het verhaal even tot mij doordringen. Davids dochter Dana krijgt van haar stiefoma dus een juweel dat toebehoorde aan haar biologische oma die dat kreeg ter gelegenheid van de geboorte van haar eerste kind. Dat is Dana’s tante dus, de zus van mijn cliënt. Het is haar naam die er samen met die van haar moeder in gegraveerd staat. Ik voel een gevoelige erfeniskwestie aan komen.

 

Jantje had het cadeau nogal demonstratief aan Dana gegeven. ‘Iedereen zat er om heen, ook mijn zus. Die zag ik verstrakken maar ze zei niets. Toen ze later naar huis vertrok zei ze tegen mij enkel: ik wilde het feest niet verpesten, maar het valt me tegen dat jij dit laat gebeuren en bovendien je dochter laat gebruiken voor een laaghartige wraakactie.’

Ik kijk hem vragend aan. ‘Je dochter laten gebruiken? Wraakactie?’

‘Nou, anders dan met mij en mijn gezin is het contact tussen mijn zus en Jantje niet warm, nooit geweest ook. Ze zien elkaar alleen op feestjes bij mij thuis. Jantje had ook voor de kids van mijn zus graag de rol van een oma willen hebben. Maar mijn zus hield haar op afstand. Ja’, hij klinkt ineens heel timide, ‘ik herken wel dat het Jantjes bedoeling was om mijn zus te kwetsen door onze Dana juist dit kettinkje te geven terwijl zij daar getuige van was, wetend dat ze geen stennis zou maken op het feest van haar nichtje. Ik weet wel dat het Jantje niet echt ging om Dana maar dat haar dat cadeau geven slechts een middel was om mijn zus te raken. Wraak te nemen, mooier is het niet.’

Hij zwijgt dan een tijdje. Plots recht hij zijn rug. ‘Maar het is Gods wil dat Dana het juweel gekregen heeft. Dat heb ik ook tegen mijn zus gezegd.’ Weer die stelligheid.

‘Hoe reageerde je zus?’, vraag ik voorzichtig. Mijn eerste tegenoverdrachtsgevoel flitst voorbij. Ik vermoed dat ik het antwoord al weet. ‘Ze zei dat ze me laf vond, dat ik me achter die God van mij verschool en dat ik me diep moest schamen’.

‘Voel je schaamte?’ Ik kijk hem even aan met zachte ogen.

‘Neen.’

Hij kijkt weg.

 

Hoe komt hij hier bij, vraag ik me na afloop van de zitting af? David is diep gelovig maar niet eerder heb ik hem God weten inzetten als een soort omnipotent bepalende instantie achter wiens beschikking het goed toeven is en die ontslaat van een verantwoordelijkheid die mogelijk om actie vraagt. Waar is de interne strijd met betrekking tot de voorhanden kwestie?

 

De volgende paar weken laat David het onderwerp rusten tot hij op een morgen de spreekkamer binnen komt, gaat zitten en begint te huilen. Zijn schouders schokken. Zijn tranen vermengen zich met snot. Het is een diep, oud verdriet.

‘Dana’, stamelt na een poosje.

‘Wat is er met Dana?’

‘Ze droeg afgelopen zaterdag dat juweel waarover ik je vertelde. Ze zou naar een dansfeestje gaan. Ze zat nog even bij ons aan de keukentafel voor ze vertrok. Ze was aandoenlijk trots op haar outfit, intens blij met haar halskettinkje. Het overviel me hoezeer ze op mijn moeder lijkt, met die groene ogen, die lichte huid. Zij is van alle kleinkinderen het kind dat fysiek het meest op haar lijkt. Dat juweel staat haar echt perfect. In dat moment voelde ik: dit moest zo zijn.’ Hij laat de ingewikkeldheden er omtrent onbenoemd. In de stilte die volgt hoor ik hem zwaar ademen.

‘Of misschien wilde ik dat dat het geval was’, herneemt hij, ’want toen Dana weg was zei ik tegen mijn vrouw dat ik me realiseerde hoe fijn ik het vind dat juist onze middelste dat halskettinkje gekregen heeft. Dat ik het voel het als een soort eerbetoon aan mijn overleden moeder.’

Davids vrouw had bedachtzaam gekeken en opgemerkt dat ze zich toch af vroeg of het Gods bedoeling was dat hun dochter ingezet was geweest om een ander pijn te doen en dat ze dat een wat krom eerbetoon vond aan Davids moeder. ‘Ze zei dat het uiteindelijk een beetje een giftig cadeau was, hoe blij onze Dana er ook mee was. Ik herhaalde dat het Gods bedoeling was geweest. Toen lachte ze besmuikt en zei dat dit meestal haar tekst was en dat ze mijn vertrouwen in Hem wel waardeerde maar dat ze zich evenwel afvroeg of Zijn Bedoeling mij niet heel goed uit kwam deze keer.’

‘O’, breng ik uit.

‘Ja.’ Hij klinkt timide. ‘Ze had een punt, Gods vermeende bedoeling komt, kwam, mij verrekt goed uit. Zo bekeken gebruik ik Hem op mijn beurt natuurlijk. Gewoon om de shit die dit cadeau teweeg gebracht heeft weg te maken.’

Dan leunt hij achterover en zucht. ‘Wat is Jantje toch een klotewijf. Die actie van haar dwingt me om te kiezen. Net als vroeger, altijd moesten we kiezen, mijn zus en ik. En wat ik nu ook doe, ik doe iemand pijn. Óf mijn zus, óf mijn dochter. Godskolere’ Hij schrikt zichtbaar van zijn eigen krachtterm. Even houdt hij zijn adem in. ‘Zo boos ben ik blijkbaar. Nou ja, ik denk dat de Heer me dit wel vergeeft.’

 

 

BIRGIT DE CNODDER

 

Leestips

Doornbos, B (2025). Is religie een illusie zonder toekomst? – De reacties van Meissner en Kernberg op Freuds Ideeën over religie. Tijdschrift voor Psychoanalyse & haar toepassingen, 31 (3), pp 172 – 184

 

 

 

1 gedachte over “De parelketting”

  1. Freud mocht zichzelf dan een ‘goddeloze Jood ‘noemen, zijn fascinatie voor Joodse afkomst, identiteit en overlevingskunst liet hem nooit los. In Londen, zijn laatste toevluchtsoord, koesterde hij een oude chanoekia met de Hebreeuwse woorden: ‘Het gebod is de lamp, het onderricht het licht.’ Veelzeggend genoeg was zijn laatste boek Der Mann Moses und die monotheistische Religion.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *