De misantroop

 

‘Mensen zijn een pest. Het zou beter zijn als wij uitgeroeid raken. Door massale Corona of een geheimzinnige ziekte waardoor we onvruchtbaar worden en onze soort binnen de honderd jaar verdwijnt. Wat zou dat een weelde zijn voor de aarde! De planten zouden weer kunnen groeien en andere diersoorten zouden opnieuw ruimte krijgen. Alle sporen van menselijk bestaan zouden langzaam maar zeker verdwijnen en het klimaat herstellen. Misschien zou de aarde zelfs een oplossing vinden voor het nucleaire afval. Wie weet. Als ze maar bevrijdt zou zijn van mensen.’ Hij declameert het gelaten én dwingend.

 

Zó, wat een staaltje onversneden mensenhaat! De toon van mijn gedachte is ietwat denigrerend. Ik houd een ongelovige hoonlachje ternauwernood binnen. Kennelijk is de vernietigende lading van deze intro niet meteen te verteren. Ik wil die het liefste terug spugen. In plaats daarvan doe ik er het zwijgen toe maar moet mezelf aanmanen mentaal present te blijven. Afhaken is een niet ongebruikelijke tegenoverdrachtsreactie bij fors destructieve cliënten (Kernberg, 1991). Daarmee bewaart een therapeut zijn eigen innerlijke rust. Maar het is ook een soort negeren van wat de cliënt brengt, eigenlijk.

 

‘Er zouden dan alleen maar diersoorten over blijven die slechts nemen wat ze echt nodig hebben’, gaat hij in een hogere versnelling door. Hij wil tot me doordringen. ‘Misschien zouden ze enige wreedheid hebben, wellicht, ja, om te overleven, maar niet zoals de diersoort mens.’

 

Een paar lichtbruine ogen staren mij aan vanuit een bleek gezicht omlijst met slierterig haar. De eigenaar ervan oogt ongezond, moe en uitermate bedrukt. Ik vind hem aan de magere kant. Dit is zijn antwoord op mijn vraag wat hem hier brengt.

Dit intakegesprek met de drieëntwintig jarige Xavier was het idee van de huisarts. Zij meldde hem aan met ‘een vermoeden van DSM diagnose, graag uw oproep’. Welke zei de verwijsbrief niet. Mijn eerste indruk is die van een zeer boze jonge man. Zo te zien eet hij ook niet goed.

 

‘Je vindt dat mensen de aarde uitbuiten en uitputten?’ Ik voel me onnozel terwijl ik het zo formuleer.

‘Dat vind ik niet, dat is zo’, bevestigt hij mijn dommigheid bits. ‘De aarde én de dieren.’ In zijn ogen is dit een voor elk weldenkend mens niet te missen en absolute waarheid. ‘Andere dieren dan de mens’, zet hij de puntjes op de i, ‘die zijn weerloos’.

 

De kamer lijkt zuurstofarm. Een moment voel ik de besmettelijkheid van zijn ‘waarheid’ en de neiging om hem gelijk te geven. Dat is een veeg teken, zeker omdat het volgt op mijn wens van zojuist om mentaal afstand te nemen. Lonkt de collusie nu ik niet kan ontsnappen aan de agressie via afstand nemen? Zou kunnen. Ook dat beschrijft Kernberg (1991) als een tegenoverdracht bij haat. Die wordt via die collusie (een soort van ‘wij samen tegen…’ in dit geval) uit het contact tussen de therapeut en diens cliënt gehaald en naar buiten geëvacueerd, alwaar de cliënt de agressie meestal alsnog uitleeft. Vrij vertaald bespaart de collusie de therapeut het verdragen van het naar hem gerichte venijn en blijft het gezelliger in de spreekkamer. Daarnaast moet ik onderkennen dat enige somberte over wat de mens doet met de aarde en andere levende wezens mij niet vreemd is. Alleen, ik zoek meestal naar de hoop in deze kwestie, bijvoorbeeld omdat ik zie dat er toch ook mensen zijn die zich er om bekommeren. Op wereldschaal of in het klein. Daar ben ik op gericht. Kennelijk zo dat de algoritmes van mijn socials filmpjes van schattige acties van een enkel individu ophoesten bijvoorbeeld. Laatst nog een rendierkalfje dat door een paar stoere mannen dwars over de snelweg verenigd werd met zijn mama. Langs weerzijden van die weg waren hoge betonblokken neergezet waar het jonkie niet over heen geraakte. De mannen zetten samen de hele snelweg stil, beide kanten op, tot het jong zich er door hen over heen liet tillen. Ik geef er de voorkeur aan om te geloven dat het geen AI rommel betrof en dat het kalfje ook na besmetting met menselijke geur nog welkom was bij mams. En ik dacht ook even aan al die andere dieren die er niet langs zouden kunnen vanwege die door onnadenkende mensen opgeworpen barrière. Enfin, ik bedoel maar: waar Xavier zich druk om maakt, kan ik in zekere zin wel volgen. De extremiteit van zijn standpunt evenwel niet. Toch voel ik de druk om hem gelijk te geven.

 

‘Kan je er meer over vertellen?’

 

‘Ik probeer al jaren aansluiting te vinden bij activisten, maar niemand is bereid om een echt radicaal standpunt in te nemen en er naar te leven. Ik heb mijn hoop verloren. Zoiets eenvoudigs als eten zonder de aarde te belasten bijvoorbeeld. Dat is niet zo moeilijk. Met alleen valfruit eten kom je een eind’.

 

Bingo.

Een eenzame, miskende strijder aan wiens normen en eisen niemand kan tippen.

En shit.

Een fors eetprobleem? Mijn aandacht blijft haken achter deze vraag.

 

‘Dat is het enige wat je eet?’

 

‘Ja, natuurlijk. Dat is wat de aarde geeft. Iets anders eten is onethisch’. Het sausje van morele superioriteit roept wrevel op. Zijn blik glijdt even naar de appel die op mijn bureau ligt. Die ligt daar zonder enige rotte plek ongepast te glimmen. Geplukt, niet gevallen, is het verdict. Hij spreekt het verwijt niet uit.

‘Ik verplaats me zoveel mogelijk te voet of met de fiets. Dat laatste is een compromis. Weet je wat het de aarde kost om zo’n ding te produceren?’ Ik vraag niet of het een elektrische fiets is. Alleen al de gedachte voelt achterlijk. Geen wonder dat hij zo dun en bleek is! Dit lijkt een lijden onder het lot van de aarde verpakt in ortho-anorectisch[1] gedrag. Of moet ik het zien als een vorm van autoagressie? En hoezo dan?

 

‘Hoe voel je je lichamelijk?’

‘Niet zo flitsend, maar dat is niet raar toch?’ Als je boos en verdrietig genoeg bent, heeft dat effect op je lijf.’

 

Ik verword tot een deelnemer aan een schaakspel dat een andere kant op gaat dan voorzien.

 

‘Nou’, probeer ik voorzichtig wat realiteit te introduceren, ‘een deel daarvan hangt wellicht toch ook samen met je eenzijdige dieet. Fruit is weliswaar gezond, maar alléén fruit is dat niet.’

Hij zwijgt en kijkt me aan.

‘Hoe lang doe je dat al? Ik vind je eetpatroon wel zorgelijk’, ontglipt me.

 

‘Tja, dat zeggen mijn vrienden ook steeds.’ Ineens is er triomf. In zijn stem, in zijn ogen. Hij geniet van de machteloze bezorgdheid van anderen. Het heeft iets masochistisch én sadistisch tegelijkertijd. Zit hier een narcistisch probleem van formaat onder? Hij excelleert in het vasthouden aan zijn principes ten voordele van de goede zaak, ook als dat ten koste van zichzelf gaat. Misschien juist daarom. Het schuurt tegen het martelaarschap aan. Daar wil hij bewondering voor. Narcisme kan een masochistische presentatie hebben (Diamond e.a, 2022). Het sadisme zit ‘m er in dat hij tegelijk geniet van de bezorgdheid van anderen en vooral van het feit dat ze zijn lijden niet kunnen verhelpen. Hij martelt met zijn martelaarschap. Ergens zit daar een lichtpuntje in. Hij dicht anderen in ieder geval geen onverschilligheid toe. Hoe krom ook, zijn getreiter met zijn lijden is een manier om verbinding te houden, en controle. Hij verlangt naar zorg maar ontvangt die niet. Dat alles is vooralsnog onbewust. Vandaar dit ageren, dit spreken met gedrag en roerige dynamiek, ook in dit gesprek.

 

‘Hoe lang eet je al alleen valfruit?’ Ik hou vast aan de focus op het eten.

 

‘Ongeveer drie kwart jaar.’

 

‘Ik sluit niet uit dat je daar fysieke gevolgen van ondervindt. Daarom wil ik dat je bloed laat prikken.’

 

Hij kijkt me woedend aan. ‘Dat wilde mijn huisarts ook maar dat wil ik niet.’

Mijn ergernis verplaatst zich wat naar zijn huisarts. ‘Vermoeden van DSM diagnose’. Amehoela. Enig vermoeden van een probleempje in de persoonlijkheid moet ze toch gehad hebben? Of in ieder geval van eetproblematiek, laat ik mild blijven.

Weer dat toontje. Het lijkt wel een olievlek! En dit snerige doet haar ook geen recht. Ik ken haar als heel deskundig en bovendien zorgvuldig in haar verwijzingen. Wat is hier aan de hand?

 

‘En ik wil ook met je huisarts overleggen’, negeer ik zijn laatste opmerking.

 

‘Ik laat geen bloed prikken, punt uit.’ Hij kruist de armen over elkaar. Schaakmat, zeggen ze. Geïrriteerde machteloosheid dreigt me in zijn greep te krijgen. Ik zou hem het liefst dumpen. Hij is me voor. ‘En als jij ook blijft zeiken hierover, kom ik niet meer terug.’

 

Zijn mededeling blijft tussen ons in hangen. Is het thema dumpen of dumpt worden? In de stilte die volgt, realiseer ik me dat ik me heb laten verleiden om veel te snel zijn eenzijdige eetpatroon centraal te stellen. Ik heb de vraag wie het is die zich nu aanmeldt waarmee helemaal overgeslagen. Zo heb ik de weg geplaveid voor een deze zich snel ontwikkelende enactment, een herhaling van wat hij kent: de ander, ik in dit geval, heeft zorg om hem, die wijst hij af, dat maakt de ander machteloos en vervolgens ontstaat een machtsstrijd. Het eetgedoe is een vorm van zelfdestructie waarmee hij onbewust ook ‘aanstuurt’ op destructie van de relatie met de ander. Natuurlijk is een lichamelijke check op enig moment belangrijk, maar zo acuut is het nou ook weer niet. We zijn al een half uur in gesprek maar alles wat ik tot nu toe weet is dat hij laaiend is omdat de mensheid de aarde naar de verdoemenis helpt, met dieren en al. Zelf probeert hij met radicale standpunten hier niet aan mee te werken. Zo eet hij valfruit bijvoorbeeld. Mijn ‘jumping to action’ op alleen dit punt zou hij ook wel eens hebben kunnen ervaren als een vorm van gedumpt worden of in ieder geval als gereduceerd worden tot het effect van zijn eet-actie. Wellicht zitten in zijn geschiedenis een aantal dingen die zijn fanatisme waarmee hij voor de weerlozen probeert te zorgen begrijpelijk maken. Maar dan moet ik wél de tijd nemen om die te leren kennen.

 

‘Je bent wel gekomen vandaag. Waar hoopte je eigenlijk op? Je lijkt me niet iemand die hier alleen maar is omdat de huisarts dat wilde.’

Hij kijkt me aan, lichte geamuseerdheid en scepticisme gaan hand in hand. ‘Neen, klopt’.

 

‘Wil je daar wat over vertellen?’

 

 

[1] Orthorexia is een eetstoornis waarbij de patiënt gericht is op de zuiverheid en kwaliteit van het eten (gezond vs. ongezond), niet per ze op de hoeveelheid calorieën of gewichtsverlies. Het leidt tot voedingstekorten door het weglaten van hele productgroepen, gestart vanuit de wens om extreem gezond te leven.

 

 

BIRGIT DE CNODDER

 

Leestips

 

Diamond D., Yeomans F.E. , Stern, B.L. Kernberg O.F. (2022). Treating Pathological Narcissism with Transference-Focused Psychotherapy. New York: Guildford Press. (hoofdstuk2, self-functioning in pathological narcissism)

 

Kernberg O. (1991). The Psychopathology Of Hatred. J. Amer. Psychoanal. Assn., (39) (Supplement): 209-238